Amsterdam Museum

Het Amsterdam Museum, tot en met 2010 bekend als het Amsterdams Historisch Museum, is een in Amsterdam gevestigd museum, gewijd aan het heden en verleden van de stad.

Museum

Het museum begon in 1926 in de Waag op de Nieuwmarkt. In 1930 kwam daar ook nog het Joods Historisch Museum bij. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de Waag gesloten om pas weer in 1955 open te gaan. In 1975 verhuisde het museum naar het gebouwencomplex van het voormalige Burgerweeshuis aan de Kalverstraat, waar de geschiedenis van de hoofdstad te volgen is vanaf het ontstaan in de middeleeuwen tot nu. Naast de vaste opstelling zijn er wisselende tentoonstellingen over de meest uiteenlopende onderwerpen die met Amsterdam te maken hebben. Als herinnering aan de tijd van het weeshuis is de Regentenkamer intact gelaten. De Schuttersgalerij, een overdekt straatje van de Begijnensteeg naar het museum vol met 17de- en 18de-eeuwse groepsportretten, is de enige vrij toegankelijke ‘museumstraat’ ter wereld.

In de loop van 2011 werd de vaste opstelling, waaronder de Schuttersgalerij, ingrijpend herzien. Behalve met voorwerpen wordt in de nieuwe permanente presentatie getiteld Amsterdam DNA de stadsgeschiedenis vertelt met veel multimedia. Ook kwam er een presentatie voor kinderen over de tijd van het Burgerweeshuis Burgerweeshuis. Voorts wordt er intensiever samengewerkt met de Grachtenmusea en Buurtmusea elders in Amsterdam. In de zomer van 2011 werd een deel van het gebouw verbouwd voor een nieuwe museumingang en de inrichting van ‘Het Kleine Weeshuis’, een nieuwe semi-permanente presentatie voor kinderen waarin gezinnen worden meegenomen in het verhaal van het Burgerweeshuis van vroeger. De tentoonstelling ‘Hollanders van de Gouden Eeuw’ in de Hermitage Amsterdam komt ook uit de koker van het Amsterdam Museum.

Het Amsterdam Museum beheert verder een tweetal Amsterdamse grachtenmusea: het Cromhouthuis en Museum Willet-Holthuysen.

Op 12 september 2019 stopte het museum met het gebruik van de term Gouden Eeuw om daarmee de periode van de zeventiende eeuw in de Noordelijke Nederlanden aan te duiden. Het museum is van oordeel dat een term als Gouden Eeuw niet van toepassing is op veel negatieve kanten uit die periode als “armoede, oorlog, dwangarbeid en mensenhandel”. Die negatieve aspecten worden volgens het museum bij het uitdragen van de omschrijving Gouden Eeuw genegeerd. Het museum paste de titel “Hollanders van de Gouden Eeuw” in de Amsterdam-vleugel in de Hermitage Amsterdam aan naar “Groepsportretten van de 17e eeuw”.

Gebouw

Het gebouwencomplex tussen de Kalverstraat en de Nieuwezijds Voorburgwal, waar nu het museum is gevestigd, was in de middeleeuwen het Sint-Luciënklooster. In 1579 trok het Amsterdams Burgerweeshuis erin en bleef daar tot halverwege de 20ste eeuw (1960). In die tijd heeft het gebouw flink wat verbouwingen ondergaan. In het voormalige weeshuis aan de Kalverstraat konden alleen wezen terechtkomen waarvan de ouders poorters waren geweest van de stad Amsterdam. De kinderen kregen een goede opleiding: de jongens leerden ambachten, zoals houtbewerking en dergelijke, terwijl de meisjes les kregen in handwerken.

Voorgeschiedenis

De vroegste voorloper van het Amsterdamse stadsmuseum bevond zich vanaf de 16de eeuw in het stadhuis. Dat de verzameling al snel een groot historisch belang werd toegedicht blijkt uit de woorden van Joost van den Vondel uit 1655. Nadat verschillende historische objecten van de stad uit de brand van het oude stadhuis in 1652 gered konden worden, schreef hij dat daardoor de ‘ziel der gantsche stadt’ bewaard is gebleven.

‘Rariteiten’ in het stadhuis

Vanaf de tweede helft van de 17de eeuw groeide de collectie schilderijen en objecten in de kunstkamer op het stadhuis verder uit, een enkele keer zelfs door een aankoop. Opmerkelijk is de enige schenking uit die periode: Michiel Hinloopen, telg uit een belangrijk geslacht van Amsterdamse regenten, liet o.a. aan de stad zijn prentenverzameling na.

In het voorjaar van 1806 richtte men op de vierde verdieping van het stadhuis een zgn. ‘rariteitenkamer’ in, met oudheidkundige objecten en schilderijen die daarvoor al een plek in het stadhuis hadden gehad. Van dit historische museum ‘avant la lettre’ werd voor het publiek een gids geschreven.

Met de komst van koning Lodewijk Napoleon naar Amsterdam in 1808 werd het stadhuis bestemd tot paleis, waarin op voorlopige basis het nieuwe Koninklijk Museum zou worden ondergebracht. De koning liet zeven topstukken uit het Amsterdams schilderijenbezit in bruikleen geven aan het Rijk om hiervan deel te gaan uitmaken, waaronder De Nachtwacht en De Staalmeesters van Rembrandt. In 1817 verhuisde het Koninklijk Museum als Rijks Museum naar het Trippenhuis, met medeneming van de zeven stedelijke schilderijen. De grote collectie uit het oude stadhuis was intussen ondergebracht in het nieuwe stadhuis aan het Prinsenhof. Regelmatig werd de collectie uitgebreid met objecten van stedelijke instellingen die werden opgeheven, zoals de verdwijnende gilden.

Verborgen in het Rijksmuseum

Medio 19de eeuw openden twee andere stedelijke kunstmusea, voortkomend uit legaten van welgestelde Amsterdamse verzamelaars: Museum Van der Hoop (1855) en Museum Fodor (1863). Begin jaren zeventig stelde de stad Amsterdam een stuk grond beschikbaar voor een nieuw gebouw van het Rijksmuseum. De stad deed ook de belofte dat het stedelijk schilderijenbezit daarbij voor een groot deel in bruikleen aan het rijk zou worden afgestaan. Toen het nieuwe Rijksmuseum in 1885 opende werd deze afspraak ingelost. Zo kreeg Amsterdam een ‘stadsmuseum’ verborgen in het Rijksmuseum. Vanwege het ontbreken van een goede expositieruimte en almaar uitdijende stadscollectie, kon het daar echter niet lang blijven. Dit probleem werd in 1890 opgelost, toen de douairière Sophia Adriana Lopez Suasso-De Bruijn haar collectie en vermogen aan de stad legateerde, op voorwaarde dat haar verzameling voor het publiek toegankelijk zou worden. Met de bijkomende financiële schenking van de familie Van Eeghen kon de gemeente Amsterdam in 1891 plannen gaan ontwikkelen een nieuw stadsmuseum te bouwen.

Onderdeel van het Stedelijk Museum

In 1896 werd het nieuwe Stedelijk Museum geopend. Na de dood van de eerste conservator Jan Eduard van Someren Brand in 1904, volgde Cornelis Baard hem in deze functie op. Aangevuld met objecten uit het Rijksmuseum en talrijke bruiklenen van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap richtte hij in 1906 een permanente presentatie in met objecten over de geschiedenis van Amsterdam. In 1896 werd de stad nog een museum rijker: het Museum Willet-Holthuysen. De weduwe Willet-Holthuysen liet haar woonhuis na aan de Herengracht 605, inclusief de kunstcollectie van haar echtgenoot, op voorwaarde dat aldaar een museum zou komen dat hun beider naam zou dragen. Vanaf 1932 vielen zowel Stedelijk Museum als Museum Willet-Holthuijsen onder de directie Dienst Gemeentelijke Musea.

Oprichting Amsterdams Historisch Museum

Een openluchtconcert door ESMG Quadrivium in 2010 op een van de binnenplaatsen.

Het plan om in de Waag een museum met ‘Amstelodamensia’ te openen, zoals Cornelis Baard het omschreef, ontstond al voor de Eerste Wereldoorlog. Baard wilde graag een einde maken aan de onoverzichtelijkheid van de collecties in het Stedelijk Museum. Door de historische collectie elders onder te brengen hoopte hij zich met het Stedelijk Museum meer te kunnen richten op de moderne kunstcollectie. Door de oorlog duurde het tot 1925 totdat dit idee weer voldoende aandacht kreeg. Aanleiding was de grote herdenkingstentoonstelling bij het 650-jarig bestaan van Amsterdam. Op 2 november 1926 werd in de Waag het Amsterdams Historisch Museum geopend, mede dankzij een financiële donatie van de dames M.C. en C. van Eeghen. Het museum viel toen nog onder het beheer van het Stedelijk Museum, maar had wel een eigen Commissie van Advies.

Hoewel al voor de Tweede Wereldoorlog, toen bekend werd dat het Burgerweeshuis aan de Kalverstraat vrij zou komen, ideeën waren ontstaan om het museum hiernaartoe over te plaatsen, duurde het nog tot 1962 dat B&W het besluit nam om de inmiddels leegstaande gebouwen met dat doel te kopen. In 1963 kreeg het Amsterdams Historisch Museum, dat tot dan toe als een soort historische dependance van het Stedelijk had gefunctioneerd, voor het eerst een eigen directeur, dr. Simon Levie. Hij kreeg tevens de leiding over Museum Willet-Holthuysen. Op 27 oktober 1975 kon het volledig gerestaureerde gebouwencomplex door koningin Juliana voor het publiek worden geopend. Begin jaren tachtig vond tijdens het directoraat van Bob Haak de definitieve splitsing plaats tussen Stedelijk en Historisch Museum.

Collectie

Het Amsterdam Museum beheert samen met het Stadsarchief Amsterdam het materiële geheugen van de stad Amsterdam. De museumcollectie bestaat uit ca. 80.000 objecten. Belangrijke gebieden die daarbinnen worden onderscheiden zijn: schilderijen, beelden, prenten, tekeningen, boeken, meubelen, textiel, glas, keramiek, penningen, kunstnijverheid en alledaagse voorwerpen die de geschiedenis van de stad tot leven kunnen brengen. Daarnaast beheert het museum ook een flink deel van de archeologische bodemvondsten die door de Archeologische Dienst van de gemeente Amsterdam zijn opgegraven. Van al deze voorwerpen zijn de gegevens digitaal vastgelegd in een collectiedatabase. Het museum heeft in 2010 de basisgegevens van de gehele collectie via de eigen website breed toegankelijk gemaakt. Ook de gegevens over voorwerpen die niet in het museum te zien zijn, ca. 85%, zijn hierdoor voor iedereen raadpleegbaar. Met de inbreng van de collectiegegevens is het Amsterdam Museum ook een van de partners in het project ‘Digitale Collectie in Europeana’, dat de aanwezigheid wil stimuleren van Nederlands erfgoed in het internationale portal Europeana.

Collectiecentrum

Het grootste deel van de collectie werd tot voor kort bewaard in depots die zich op verschillende locaties bevonden en die niet aan de moderne eisen van conservering en beveiliging voldeden. Voor het goed bewaren en toegankelijk maken van al deze niet-openbare collecties werd in oktober 2011 het nieuwe Collectiecentrum in Amsterdam-Noord geopend. In dit depotgebouw, ontworpen door architect Wim Quist van Quist Wintermans Architekten, zijn naast de depotruimtes ook werkplekken waar objecten worden verpakt, geconserveerd, gefotografeerd, of (vanaf mei 2012) worden getoond aan onderzoekers en andere geïnteresseerden.

Het Collectiecentrum was in 2011 een van de 25 door Architectuurcentrum Amsterdam (ARCAM) genomineerden voor de Amsterdamse Architectuur Prijs, ook wel bekend als de Gouden A.A.P.

Deze tekst komt oorspronkelijk van het Wikipedia-artikel Amsterdam Museum. Deze tekst is beschikbaar onder de licentie CC-BY-SA 3.0

Officiële website van Amsterdam Museum

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Close
Menu
Close
error: Alert: Content is protected !