De Nachtwacht

De compagnie van kapitein Frans Banninck Cocq en luitenant Willem van Ruytenburgh maakt zich gereed om uit te marcheren, beter bekend als De Nachtwacht, ook Nachtwacht (Engels: Night Watch), is een schuttersstuk van de Hollandse kunstschilder Rembrandt van Rijn (1606-1669), dat in 1642 gereed kwam. Het schilderij is eigendom van de gemeente Amsterdam en behoort sinds 1808 tot de collectie van het Rijksmuseum Amsterdam. Het canvas toont de twee schutters uit de titel, vergezeld door andere militieleden, alsmede enkele figuranten, terwijl ze zich aan het opstellen zijn. De Nachtwacht is een van de beroemdste schilderijen ter wereld.

Het schilderij was Rembrandts bijdrage aan een project van zeven werken, zes schuttersstukken en een portret van de doelheren van de kloveniersschutters, besteld door het Amsterdamse schuttersgilde voor de grote feestzaal van de Kloveniersdoelen. Het is Rembrandts eerste en enige schuttersstuk. Vergeleken met andere doeken uit het genre is Rembrandts werk een levendige en gedurfde compositie, waarin de schutterij niet in de gewoonlijke statische opstelling poseert, maar is afgebeeld tijdens het groeperen. Het doek is een rijk werk van een barokke complexiteit, waarin realisme en symboliek vakkundig zijn gecombineerd in een meesterlijke integratie van beweging, licht en kleur, in harmonie gebracht door een fijnzinnig patroon van clair-obscur. In deze aspecten vertegenwoordigt De Nachtwacht het hoogtepunt van Rembrandts schilderkunst.

Het schilderij werd in 1715, of iets daarna, aan alle vier zijden ingekort om het passend te maken voor een andere ruimte. Daarbij verdween onder meer de afbeelding van twee schoolschutters. Tegenwoordig meet het schilderij wat de hoogte betreft 379,5 cm (het nog resterende originele doek is 363 cm hoog) en wat de breedte betreft 453,5 cm (maximale breedte van het resterende originele doek is 438 cm). Zonder lijst weegt het schilderij 170 kg, met lijst 337 kg.

Voorstelling

Het doek toont de schutterscompagnie van de Amsterdamse Wijk II, tussen Damrak en Singel. De schutters met diverse wapens worden afgebeeld bij het verlaten van het schuttersgebouw en het afdalen van enkele treden op een bruggetje. Commandant is kapitein Frans Banninck Cocq, ten voeten uit geportretteerd in deftig zwart met de rode sjerp van zijn rang en een wandelstok. Met een stevig handgebaar onderstreept hij zijn commando, zet zijn stok schrap en begint te lopen. Naast hem zet zijn luitenant Willem van Ruytenburch zich ook in beweging; met in de hand een fraaie lans, een zogenaamde partizaan, naar voren gericht geeft hij de marsrichting aan. Minder prominent zijn de vaandrig (met vaandel), de twee sergeanten (met hellebaard). zes musketiers, vijf piekeniers, drie rondassiers, een zwaarddrager, een tamboerijn, een kruitjongen, twee meisjes (de voorste volgens sommigen een mythologische geest, volgens het Rijksmuseum de mascotte) en enkele niet nader geïdentificeerde personen waarvan alleen de hoofden of helmen zichtbaar zijn. In totaal stonden op het schilderij in originele staat meer dan dertig personen afgebeeld. Bij het afsnijden in of vlak na 1715 verdwenen twee militieleden en een kind.

De schutters demonstreren het behendig vullen van een musket met kruit (de in het rood geklede man links), het afvuren (door de enigszins verschrikte man tussen de kapitein en de luitenant in, met de rug van zijn hand de loop van de musket omhoogdrukkend om ongevallen te voorkomen), en het wegblazen van resten niet ontploft kruit uit de pan van zijn musket (de man achter de linkerschouder van Van Ruytenburch). De tamboer staat klaar om een roffel in te zetten, een hond die omhoog kijkt, de banieren en lansen zijn geheven, en kinderen rennen tussen de schutters rond.

Stijl en compositie

Rembrandt bedacht een dramatische oplossing voor het probleem hoe de vele individuele portretten tot één geheel te maken. De compositie (de ordening van de personen op het doek) en het beeldaspect clair-obscur (afwisseling van licht en donker) zijn met een groot gevoel voor evenwicht ontworpen. Op een hecht netwerk van loodrecht op elkaar staande evenwijdig verlopende compositielijnen (gevormd door lansen, geweren en gestrekte armen) is de ordening van het werk doorgeweven met daarbij een accent door goed geplaatste lichtvlekken. Dit is ook het kenmerk van elk groot kunstwerk uit de barok: een vast dwingend onderliggend stramien waarop boeiend en dynamisch gevarieerd wordt, zonder in clichés te vervallen.

Rembrandt hield het schilderij tamelijk donker, waardoor hij met lichteffecten de aandacht op bepaalde partijen kon vestigen. Door verkleuring van het vernis werd het schilderij nog veel donkerder, waardoor onterecht werd aangenomen dat het scenario op het schilderij zich ‘s nachts afspeelt. Zo kreeg het in de 18e eeuw als bijnaam De Nachtwacht.

Techniek

Op afstand bekeken mag het doek de indruk van eenheid wekken, toch vertoont de verfbehandeling in de uitgelichte gezichten aanzienlijke variatie. Het gezicht van sergeant Reyer Engelen is vormgegeven met penseelstreken die het modelleren nauwkeurig volgen in een bleke, dunne vleestint waar de donkerder onderlaag soms doorheen schemert, terwijl op de lippen en de uitgelichte wang een rood glazuur is aangebracht. Hoewel het gezicht van de man rechts van hem ongeveer dezelfde hoek ten opzichte van het licht inneemt, is daar precies het tegenovergestelde gebeurd. Op een lichtere, ivoorkleurige onderlaag is het gezicht met brede, verwarde streken vormgegeven in een gevarieerde vleeskleur met veel roze, zonder glazuur. Het hoofd van Herman Wormskerck vangt meer licht en is gedaan in dichte, over elkaar vallende streken vleeskleur, regelmatig parallel aan de lichtinval op een wijze die in geen enkel van de andere hoofden aangetroffen wordt. De centrale groep op de achtergrond is daarentegen meer uniform behandeld.

De suggestie van diepte berust op twee technieken. Ten eerste weerlegt de lichtbehandeling de destijds gangbare opvatting dat donkere elementen naast lichte de indruk van een grotere afstand zouden wekken. De in het donker geklede Banninck Cocq ‘wijkt’ niet ten opzichte van de naast hem in het wit geklede Van Ruytenburch. De uitgestoken hand van Banninck Cocq wordt niet door donkere, maar juist door de belichte witte manchet omgeven en de donkere punt van de lans van Van Ruytenburch wordt omringd door de veel lichtere kleur van zijn uitgelichte broek, wat destijds ‘als verbijsterend ruimtelijk’ werd ervaren.[4] De tweede techniek is het zogenaamde ‘atmosferische perspectief’, de suggestie van lucht tussen de elementen die de atmosfeer een blauw waas verleent die de indruk van afstand creëert. Op deze wijze wordt de afstand tussen Van Ruytenburch en het meisje met de kip, rond wie de schaduwen lichter zijn, vergroot. Wanneer men eenmaal oog heeft gekregen voor deze ‘allersubtielste modulaties van licht en toon’, aldus kunsthistoricus Ernst van de Wetering, blijkt dat de kwast aan Van Ruytenburchs lans een ‘spectaculair voorbeeld’ van Rembrandts gebruik van luchtbesef is. Een laatste aspect van de ruimtesuggestie is het aanbrengen van rulle verf voor de contouren op de voorgrond en gladdere voor die op de achtergrond, die daardoor vervagen en ‘wegwijken’, zodat een atmosferische overgang ontstaat ‘die wezenlijk aan de ruimtelijke en atmosferische werking van het schilderij bijdraagt’.

Signatuur

De enigszins gesleten, maar nog steeds goed leesbare signatuur ‘Rembrandt f 1642’ is aangebracht op de zijkant van de onderste trede, onder de rechtervoet van het meisje in het opvallend gele licht.

Grootte

In 1715 of vlak daarna werd het schilderij ingekort. Het nog resterende originele doek is maximaal 363 cm hoog en de nog originele breedte is 438 cm. Het nog originele doek is alleen rechts 363 cm hoog. Links is de nog oorspronkelijke lengte 361,5 cm. Middels kunstmatige aanpassingen is het doek nu 379,5 cm hoog en 453,5 cm breed.

Het is niet precies bekend hoe groot het originele canvas was en dus ook niet hoeveel er exact is ingekort. Schattingen van de diverse onderzoekers lopen wat de oorspronkelijke hoogte betreft uiteen van 358,7 cm tot net onder 420 cm en voor de breedte van 479 cm tot 523 cm.

Het canvas bestaat uit drie horizontale linnen doeken. Het middelste heeft een breedte van circa 140 cm. Mochten de buitenste doeken, die beide zijn ingekort, oorspronkelijk ook eenzelfde breedte hebben gehad, dan zou volgens de onderzoekers van het Rembrandt Research Project (RRP) het originele beschilderde deel van het schilderij uiteindelijk maximaal iets onder de 420 cm hoog zijn geweest, omdat bij de bevestiging op het raamwerk altijd een beetje van de lengte verloren gaat.

K.H. de Haas meende bij zijn in 1928 gepubliceerde onderzoek dat de maximale breedte van het middelste linnen doek mogelijk zo’n 141,5 cm is geweest, wat overeenkomt met vijf Amsterdamse voet, de lengtemaat die indertijd gehanteerd werd. De Haas oordeelde dat ook de bovenste baan op de originele De Nachtwacht deze maximale breedte had. Volgens hem kwam dat overeen met de weergave op de kopie van Lundens en zou er zelfs aan de bovenkant nog wat doek overblijven voor de bevestiging op het hout. De Haas was ervan overtuigd dat er geen enkele reden is aan te nemen dat op het schilderij zelf de onderste baan ook 141,5 centimeter breed zou zijn geweest.

De drie banen zijn niet gelijkelijk over het doek verdeeld. In mei 1922 werden door het Rijksmuseum tussen de naden de volgende lengtes vastgesteld. Aan de linkerkant 100 cm (bovenste baan), 138,5 cm (middenbaan) en 123 cm (onderste baan). En rechts 105,5 cm (bovenste baan), 140 cm (middenbaan) en 117,5 cm (onderste baan).

Betalende leden, plus tamboer

Rond 1653 werd aan het schilderij een schild toegevoegd met de namen van de personen die voor hun beeltenis betaald hadden.

De inscriptie is als volgt: “Frans Banning Cocq, heer van purmerlant en Ilpendam, Capiteijn Willem van Ruijtenburch van Vlaerdingen, heer van Vlaerdingen, Lu[ij]tenant, Jan Visscher Cornelisen Vaendrich, Rombout Kemp Sergeant, Reijnier Engelen Sergeant, Barent Harmansen, Jan Adriaensen Keyser, Elbert Willemsen, Jan Clasen Leydeckers, Jan Ockersen, Jan Pietersen bronchorst, Harman Iacobsen wormskerck, Jacob Dircksen de Roy, Jan vander heede, Walich Schellingwou, Jan brugman, Claes van Cruysbergen, Paulus Schoonhoven”.

Ergens in de achttiende eeuw werd een deel van het schrift onleesbaar. De tekst was pas weer in zijn geheel te zien na een ingrijpende restauratie in 1947. Toen kwam ook een achttiende naam tevoorschijn. Onderaan waren eerst alleen de letters ‘Schr’ te lezen en de gedachte was dat die stonden voor het beroep van Claes van Cruysbergen, die als zeventiende genoemd werd en die schrijver van beroep was. Na een grondige schoonmaak bleek er Paulus Schoonhoven te staan.

De personen staan niet vermeld in volgorde van hoe ze staan afgebeeld, maar zoals gebruikelijk naar de lengte van hun dienstverband. Tot begin 21ste eeuw was slechts van enkele genoemde personen bekend waar ze op het schilderij stonden weergegeven. In 2009 publiceerde historicus Bas Dudok van Heel als eerste waar alle van de op het schild vermelde personen stonden afgebeeld, alsook de correcte naam van de tamboer, die als een van de weinigen niet betaald had maar toch werd afgebeeld. Deze trommelslager was in loondienst van de schutterij. Volgens Dudok van Heel waren Jan Brughman en Jacob Dirksen de Roy de twee meest linkse figuren op het schilderij. Ze werden begin achttiende eeuw weggesneden. Brughman was volgens Dudok van Heel de meest linkse van de twee.

Deze tekst komt oorspronkelijk van het Wikipedia-artikel De Nachtwacht. Deze tekst is beschikbaar onder de licentie CC-BY-SA 3.0

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Close
Menu
Close
error: Alert: Content is protected !